HomeNieuwsSGP stelt schriftelijke vragen over cliëntondersteuning

SGP stelt schriftelijke vragen over cliëntondersteuning

Publicatiedatum: 19 sep. 2017

Onze fractie heeft opnieuw aandacht gevraagd voor het belangrijke thema van cliëntondersteuning. Het is van groot belang dat cliënten in het Sociaal Domein onafhankelijke ondersteuning krijgen. Al eerder is hiervoor van onze kant aandacht gevraagd. Naar aanleiding van een brief van staatssecretaris Van Rijn stelde raadslid Jan van den Dool schriftelijke vragen over dit onderwerp.

Vragen met inleiding

De SGP fractie heeft in de afgelopen jaren meerdere keren aandacht gevraagd voor het onderwerp cliëntondersteuning. In Q4 van 2016 is door het college aangegeven dat de vorm en manier van inrichting van cliëntondersteuning voor 2017 niet veranderen zal. Wel zal er meer bekendheid worden gegeven aan de cliëntondersteuner van MEE en cliënten zullen beter geïnformeerd worden over de mogelijkheid van cliëntondersteuning.

De staatssecretaris van VWS heeft op 27 juni 2017 een brief gestuurd aan de Tweede Kamer over dit onderwerp. In deze brief wordt op een heel aantal aspecten ingegaan op de uitvoeringspraktijk van cliëntondersteuning in gemeenten en hoe dit verbeterd kan worden. Deze brief vormt voor ons de aanleiding om de volgende vragen te stellen:

1.       Blijkt uit cijfers dat de bekendheid en vindbaarheid van de cliëntondersteuner t.o.v. 2016 is verbeterd?

2.       Vanaf 1 januari 2018 zal de coöperatie operationeel van start gaan. Welk gevolg heeft de entiteit van de zorgcoöperatie voor de invulling van cliëntondersteuning?

3.       Hoe is de huidige cliëntondersteuning budgettair en qua looptijd vastgelegd en geregeld?

In de brief van de staatssecretaris is benoemd dat de cliëntondersteuner onafhankelijk moet zijn. Citaat uit de brief: “de cliëntondersteuner moet onafhankelijk kunnen zijn en naast de cliënt kunnen staan, dus onafhankelijk van de opdrachtgever (gemeente/zorgkantoor) en/of de aanbieder. Een cliëntondersteuner is geen indicatiesteller, heeft geen belang bij de keuze voor een bepaald aanbod en is evenmin een belangenbehartiger”.

4.       Vindt het college dat wij met cliëntondersteuning door MEE (een aanbieder) toch voldoen aan het criterium van onafhankelijkheid?

5.       Er zijn partijen (zorgorganisaties) bereid om cliëntondersteuning aan te bieden in Woudenberg.  Welke stappen gaat het college nemen om deze of in ieder geval meerdere partijen te betrekken bij onafhankelijke cliëntondersteuning?

6.       Zijn er belemmeringen om ook informele onafhankelijke cliëntondersteuning een volwaardige positie te geven in het aanbod van cliëntondersteuning?

In dezelfde brief wordt aandacht gevraagd voor de brede ontwikkeling van de functie cliëntondersteuning. Eén van de ontwikkelpunten is als volgt: “verbetering van cliëntondersteuning bij overgang van cliëntondersteuning vanuit WMO 2015 naar cliëntondersteuning vanuit de Wlz.”

7.       Hoe zorgt het college er voor dat er bij de overgang vanuit de WMO naar de WLZ deskundige cliëntondersteuning beschikbaar is?